Home » Tandheelkunde » Gebit » Van A tot Z

Van A tot Z

Tandartsen hebben hun eigen jargon. Een geheimtaal die vast wat begrijpelijker zal zijn, wanneer u kennis hebt genomen van de alfabetische lijst met vaktermen.

Afdruk

Een kopie van de tanden en kaak. Wordt gemaakt door de patiënt te laten 'happen' in afdrukmateriaal. 

Aften

Pijnlijke zweertjes. Ze zien eruit als een wit plekje met een rode rand. De zweertjes verdwijnen meestal spontaan na ongeveer 2 weken.

Agenesie

Het ontbreken van een tand of kies als gevolg van een speling van de natuur (aangeboren).

Airroter

De houder waarin het tandartsenboortje wordt geplaatst. Het bekende boorgeluid is een gevolg van de luchtaandrijving door de boorhouder die ervoor zorgt dat het boortje gaat draaien.

Amalgaam

Zilverkleurig vulmateriaal voor tanden en kiezen op basis van een metaalpoeder, bijvoorbeeld van zilver, tin, zink of koper vermengd met kwik.

Anesthesie

Verdoving.

Apex-resectie

Behandeling van een ontstoken wortelpunt. Onder plaatselijke verdoving wordt een sneetje gemaakt in het tandvlees en kaakbot, waarna de ontstoken plek wordt schoongemaakt. Er wordt meestal een deel van de wortel verwijderd, waarna er een kleine vulling wordt aangebracht. De apex-resectie wordt over het algemeen uitgevoerd door de tandarts-endodontoloog en wordt toegepast als een wortelkanaalbehandeling die niet het beoogde effect heeft gehad.

Articulatie

Het maken van kauwbewegingen.

Articulator

Apparaat waarmee kauwbewegingen kunnen worden nagebootst. Tandartsen en tandtechnici gebruiken het bij het vervaardigen van kunstgebitten of kronen.

Aveole

Is de lege tandkas.

Avitaal

Niet meer levend zijn van de zenuw in tand of kies.

Bitewings

Röntgenfoto's waarmee de tandarts de conditie van kiezen, tanden en tandvlees kan beoordelen.

Bitje

Ook wel nightguard of opbeetspalk genoemd. Het is een doorzichtig plaatje dat over de tanden wordt geschoven om bijvoorbeeld de negatieve effecten van tandenknarsen (bruxisme) te minimaliseren.

Botresorptie

Het oplossen van het bot.

Brug

Constructie die één of meerdere tanden of kiezen vervangt. In veel gevallen bestaat een brug uit twee kronen die verbonden zijn door de zogenaamde dummy, een tussenstuk. Bruggen worden vervaardigd door de tandtechnicus. De tandarts lijmt de brug vast. De drager kan de constructie niet zelf uit de mond halen.

Bruxisme

Ook wel tandenknarsen, waarbij het onder- en bovengebit onder grote druk over elkaar worden geschoven. Dit kan onder andere tandslijtage en kaakproblemen tot gevolg hebben.

Buccaal

Wangkant van een tand of kies.

Cariës

Tandbederf.

Cement

Lijm om kronen en bruggen vast te zetten.

Cervicaal

Vlak boven het tandvlees gelegen wangkant of verhemelte/tongkant van een tand of kies.

Composiet

Wit vulmateriaal van kunsthars. Voor het uitharden van composietvullingen gebruikt de tandarts vaak een blauwe lamp.

Dentine (tandbeen)

Een botachtige substantie zonder bloedvaten, die de tandpulpa omgeeft.

Distaal

De aan de keelzijde gelegen kant van een tand of kies.

Elektrotoom (elektrisch mes)

Apparaat voor het wegsnijden van tandvlees. Deze ingreep gebeurt altijd onder plaatselijke verdoving.

Endodontologie of Endo

Wortelkanaalbehandeling. Onder verdoving wordt de zenuw verwijderd, waarna het wortelkanaal gereinigd en gevuld wordt. Endodontologie wordt toegepast bij pijn en/of ontsteking aan een tand of kies.

Excaveren

Het schoonboren van een gaatje (caviteit) in een tand of kies.

Extractie

Het trekken van een tand of kies.

Facing (veneer)

Schildje van kunsthars of porselein dat wordt aangebracht ter verfraaiing van de voortanden, bijvoorbeeld bij verkleuringen van de tand.

Fissuur

Diepe groef in het kauwvlak of aan de zijkant van een tand of kies.

Floss

Draad waarmee de kleine ruimtes tussen tanden en kiezen gereinigd kunnen worden (flossen).

Frame

Metalen constructie ter vervanging van tanden of kiezen, waarin tand- en/of kiesprothesen kunnen worden aangebracht.

Front

Voortanden.

Functiespuit

Sproeier waarmee (delen van) de mondholte schoongespoten kunnen worden. Als ‘reinigingsmiddel' kan lucht, water of spray worden gebruikt.

Gingiva

Tandvlees.

Gingivitis

Tandvleesontsteking, waarbij de vaste rand van het tandvlees is ontstoken.

Gipsmodel

Kopie in gips van een kaak met tanden en kiezen. De tandarts maakt een afdruk bij de patiënt en giet deze in gips. Op het gipsmodel maakt de tandtechnicus vervolgens de gewenste constructie: kroon, frame of kunstgebit.

Glasionomeer

Cementlijm waarmee een kroon kan worden vastgezet. Wordt ook wel gebruikt als vulmateriaal.

Gnatologie

Specialisme binnen de tandheelkunde dat zich bezighoudt met het kaakgewricht en de kauwspieren.

Granuloom

Chronische ontsteking aan de wortelpunt.

Hoekopbouw

Het opnieuw opbouwen van een weggevallen hoek, meestal voortand.

Hoekstuk

Boorhouder voor het tandartsenboortje. Zie ook boorhouder.

Incisaal

Snijvlak van een snijtand.

Inlay

Vulling, van goud of porselein, die de tandtechnicus vervaardigt op een afdruk van de tandarts.

Kiezen

De eerste kleine kies tot en met de verstandskies. Het gebit heeft in totaal 20 kiezen.

Kroon

Vervanging voor een enkele tand of kies. De tandarts zal een kroon adviseren wanneer de vulling voor de betreffende tand of kies erg groot is/wordt. De kroon is dan een stevige vervanger die lang meegaat. Kronen worden door de tandtechnicus in goud of tandkleurig porselein gegoten op een afdruk van de tandarts.

Kwadrant

De helft van een boven- of onderkaak (linker- en rechterhelft van onder- en bovenkaak). Elk gebit heeft zodoende vier kwadranten.

Linguaal

Tongzijde van een tand of kies.

Mesiaal

De kant van een tand of kies die naar de voorzijde van de mond is gericht.

Mondhygiënist

Gediplomeerd persoon die gespecialiseerd is in de hygiëne van mond en gebit. Op verwijzing van de tandarts of bij de tandarts zelf kan de mondhygiënist diverse werkzaamheden verrichten, waaronder voorlichting geven over mondreiniging, tandsteen verwijderen, polijsten, het houden van de halfjaarlijkse controle, foto's maken en sealen.

Occlusaal

Het kauwvlak van een tand of kies.

Occlusie

Stand van de kaak waarbij de tanden en kiezen van beide kaakhelften op elkaar staan.

Onderlaag

Beschermend laagje onder een vulling dat de zenuw beschermt tegen kou en warmte in de mond.

Parodontitis

Ernstige ontsteking van het tandvlees: Ontsteking van het parodontium, waarbij de vezelige aanhechting van de elementen verloren gaat en botverlies optreedt.

Parodontium

Verzamelnaam voor het ophangsysteem van de tanden en kiezen: tandvlees, kaak of bot, wortelvlies en cement.

Plaatje

Plaat van kunsthars waarin kunstmatige tanden of kiezen zijn opgenomen. Dient ter vervanging van ontbrekende natuurlijke tanden of kiezen.

Plaque

Laagje aangekleefde bacteriën.

Pocket

De tandvleesspleet (ruimte tussen tandvlees en tand).

Pocketstatus

Beschrijving van de conditie van het tandvlees rondom de tanden en kiezen.

Preventiekaart

Kaart voor ziekenfondsverzekerden waarop de controles worden bijgehouden.

Pulpa

Weke massa zonder botelementen en vet dat zich in de pulpaholte van het gebitselement bevindt.

Rager

Smal borsteltje waarmee je tussen tanden en kiezen kunt schoonmaken.

Röntgenstatus

Verzameling foto's van de kaken, de tanden en de kiezen.

Scalen

Behandeling waarbij het worteloppervlak onder het tandvlees van een tand of kies wordt vrijgemaakt van tandsteen en vervolgens glad wordt gemaakt.

Sealen of sealing

Het aanbrengen van een dun laagje kunsthars in de groef aan de kauwzijde van een kies (sealant). Voordat het laagje wordt aangebracht, wordt de groef grondig gereinigd. Sealen helpt tandbederf voorkomen en wordt met name bij kinderen toegepast.

Status

Een kaart met een afbeelding van alle tanden en kiezen, waarop de tandarts aangeeft welke behandelingen zijn uitgevoerd. Voor elke patiënt wordt uiteraard een aparte status bijgehouden.

Tanden

De voortand tot en met de hoektand. Het gebit heeft in totaal 12 tanden.

Tandenstoker

Stokje van hout of kunststof, speciaal voor het reinigen tussen de tanden en kiezen.

Tandmerg

Zachte en vette kern in de tand met rode en witte bloedcellen.

Tandsteen

Uit voedselresten en speeksel ontstane plaklaag die zich langs het tandvlees op de tanden vastzet. Bevindt zich vaak aan de tongzijde van de ondersnijtanden.

Tandtechnicus

Persoon die in opdracht van de tandarts kronen, bruggen, frames, plaatjes en kunstgebitten vervaardigt.

Vineer (facing)

Schildje van kunsthars of porselein dat wordt aangebracht ter verfraaiing van de voortanden, bijvoorbeeld bij verkleuringen van de tand.

Wortelkanaal

In dit gedeelte van de zenuwkamer bevinden zich de zenuwen en bloedvaten.

Zenuw

Via de zenuw worden signalen aan de hersenen afgegeven, bijvoorbeeld bij pijn.

Zenuwkamer

Het inwendige van de tand of kies, ook wel pulpa of tandmerg genoemd. Hierin ligt het wortelkanaal met zenuwen en bloedvaten.